Vervolgheader Leo Dooper

Weerzien

Toen, ploeterend door bouwland, pas geploegd met voren dieper dan de grond verdragen kan de man een hand van onbekende oorsprong drukte, voetafdrukken raapte die hij verloren waande, huizen tegenkwam waaruit vaag licht naar buiten scheen en hij, voorheen wonend in een vaas verwelkte bloemen de wiekslag van een lepelaar in schaduw op zijn arm bespeurde met slapend tussen veren de maan die vrije dagen opgenomen had; verschoof de dag allengs naar later uur.

Toen, waaiend boven rode cornus-albatakken, lindebomen koelte wuifden naar het oord waar drank en borrelhap een rouwdienst leidden, een welgedane zestiger de weg vond naar het graf dat moest bezocht, het zwarte schaap van een familie groette dat na een maaltijd pruimtabak een invalidenkar met in het groentevak de kleuren van de landstreek duwde en zag, hoe kortgerokte meisjes geen weet van tegenspoed, ontdaan van denken, toeristen welvoorziene etalages toonden; verscheen de dag opnieuw in zijn geboortedorp.