Op kamers
Vandaag is daglicht ochtendziek. Een vloeiende beweging van het heupgewricht omhelst de juffrouw bij wie men kamers huurt. Zij is een zwerfkei in het landschap van de liefde.
De stalen borstel waarmee men warmte uit een handdruk boent, lijdt aan een tranend oog dat met trompetgeschal de nacht inluidt.
Haar keel stikt in een vriendelijke woord na weer de smaak van vreemden in haar mond. De schoonheid van een blinkend aanrecht verzoent haar met cup A.
Leo Dooper

